Sunday, January 8, 2012

Roodhalsgans net geen tuinsoort

De drie koningen zijn alweer terug naar het oosten, dus ik mag je officieel geen Gelukkig Nieuwjaar meer wensen. Maar op mijn weblog gelden natuurlijk andere regels en aangezien dit mijn eerste berichtje van het jaar is, wens ik alle lezers toch nog veel gezondheid, geluk, voorspoed en nog veel meer goede dingen toe voor 2012. Een jaar dat stormachtig begon in Nederland, met bij ons in de tuin zelfs de nodige schade. Gelukkig is de rust weer wat teruggekeerd en ook het dak van ons schuurtje ligt weer klaar om teruggeplaatst te worden nadat het door een rukwind de Vlist was ingewaaid.

Die rust stelde mij ook in de gelegenheid om er dit weekend opuit te gaan. Zaterdag maakte ik een rondje langs de grote rivieren die de Krimpenerwaard begrenzen om te zien of er door de storm nog zeevogels landinwaarts waren geblazen. Helaas bleek dat tegen te vallen: geen Eiders, Zee-eenden of Jan-van-genten te bekennen. Een nevendoel is echter altijd het vinden van (kleur)ringen van meeuwen en daarbij had ik eindelijk weer eens geluk. Op een dammetje bij de IJssellaan stond een volwassen Grote Mantelmeeuw met een zwarte kleurring. De code begon met een J, waaruit je al kunt opmaken dat de vogel in Noorwegen geringd is. Toen ik de vogel op http://www.ringmerking.no/ had ingevoerd, kreeg ik een levensgeschiedenis van de vogel te zien, die opgemaakt is op basis van alle voorgaande aflezingen. Hij bleek in juni 2008 geringd te zijn als nestjong in Noorwegen, waarna hij regelmatig opdook in Denemarken en Nederland. Ik kwam erachter dat Johannes Luiten deze vogel vorig jaar ook had afgelezen op dezelfde locatie! De rest van mijn rondje door de Krimpenerwaard leverde weinig spannende vogels op, maar zoals altijd geniet ik met volle teugen van het water en de groene polders om mij heen.

Cor twitcht Roodhalsgans in polder Keulevaart
 
Zondagochtend bouwde ik eerst onze blokhut op voor zover mogelijk was, maar daarna wilde ik ook nog even een stukje lopen. In polder Keulevaart tegenover ons huis ligt sinds kort een fietspad dat mooi overzicht biedt over de polder. Ik had de afgelopen weken gemerkt dat er regelmatig ganzen in de polder zaten dus ik liep met een telescoop het fietspad op in de hoop wat halsbandjes te vinden en af te lezen. Inderdaad liep er een groep van enkele honderden Kolganzen te grazen en toen ik zo dichtbij was als ik kon komen, zette ik mijn telescoop neer. Ik richtte de scoop op de ganzen en keek vrijwel direct aan tegen een gans die in het gras zat waardoor alleen de nek en kop zichtbaar waren. De kop was wel zo opvallend dat ik direct wist waar ik mee te maken had: zwart met rare witte vlekken, dat kon alleen maar een Roodhalsgans zijn! Toen de vogel even later opstond werden ook de donkerrode hals en borst zichtbaar, net als de prachtig contrasterende zwart-witte tekening van de flank. Roodhalsganzen zijn een ware lust voor het oog en doen exotisch aan, terwijl het een soort is van een ijskoud klimaat. Bovendien zijn ze behoorlijk zeldzaam in Nederland en ik had in de Krimpenerwaard nog nooit een exemplaar gezien waarvan het aannemelijk was dat het om een wilde vogel ging. Dit was dus een hele leuke ontdekking en ik belde meteen Jonne om haar deelgenoot te maken van mijn vreugde. Ze trotseerde haar ernstige verkoudheid om op de fiets even te komen kijken in de koude wind. Ook smste ik even een aantal vogelaars en belde ik Cor en Morrison, die eens in de maand in polder Keulevaart hun wintervogeltelling doen. Geen van beiden had ooit een Roodhalsgans in Keulevaart gezien, dus kwamen ze meteen kijken. Het blijft toch een van de leukste aspecten van het vogelen dat je dit soort momenten kunt delen met je vrienden. Toen ik later thuis was restte mij alleen nog de taak om de waarneming wereldkundig te maken op krimpen.waarneming.nl. De rest van de dag kon ik weer teren op deze leuke waarneming, hemelsbreed op nauwelijks 800 meter van ons huis!

Bewijsplaatje van de Roodhalsgans in polder Keulevaart

Saturday, November 12, 2011

Lokale twitch naar Woestijntapuit

We zaten net met een aantal mensen van onze onderzoeksgroep van de Universiteit Utrecht aan het bier tijdens de FAG (Friday Afternoon Gathering) –borrel toen mijn telefoon ging. Vreemd, want ik verwachtte niets en ook een beetje ongemakkelijk want ik was in een gesprek verwikkeld. Op mijn display zag ik dat het Corné Stam was die belde, een enthousiaste jonge vogelaar uit de Alblasserwaard die in het kader van een stage bij het Zuid-Hollands Landschap veel tijd doorbrengt in ‘onze’ waard, de Krimpenerwaard. Wetende dat als hij belt, het maar één ding kan betekenen, nam ik toch maar de telefoon op. Uit de waterval van woorden die meteen over mij uitgestort werd kon ik destilleren dat er een ‘vreemde tapuit’ ergens tussen Ouderkerk en Krimpen aan den IJssel zat. Waarschijnlijk een Woestijntapuit, landelijk gezien een uiterst zeldzame soort. Het verhaal werd vrij snel toch wel erg duidelijk, net zoals het mij op dat moment pijnlijk duidelijk werd dat de schemering allang was ingevallen en het snel te donker zou zijn om nog iets te zien. Het feit dat ik nog in Utrecht zat, zette mij hoe dan ook buiten spel. Ik bedacht snel wie er in de buurt van de opgegeven plek wonen en probeerde met hen contact op te nemen om de melding door te geven. Harm was de enige die opnam en hij ging meteen zoeken. Helaas werd het toch echt te snel donker en de vogel bleek onvindbaar. Met een rustige, heldere nacht voor de boeg had ik weinig hoop dat de vogel, die gemakkelijk ’s nachts trekt, er de volgende ochtend nog zou zitten. Toch in opgewonden staat voegde ik me weer bij mijn collega’s die nog zelden deze kant van mij gezien hadden. Er werd even op een leuke manier over gegrapt en ik moest beloven na het weekend een spannend verhaal te vertellen over mijn poging de vogel alsnog te zien. Daar zou ik mijn best voor doen.

’s Avonds sprak ik met Jonne de plannen voor het weekend door, want hoewel we al besloten hadden te willen gaan trektellen, was het toch ook een zeer aantrekkelijk idee om met het eerste licht te gaan zoeken naar de tapuit. Ik moest maar kiezen. Door de goede treknacht verwachtte ik dat het op de telpost best leuk zou kunnen zijn en vreesde ik dat de tapuit weggevlogen zou zijn. Bovendien zouden er wel meer mensen gaan zoeken, dus ik besloot toch naar de telpost toe te gaan en af te wachten of er een smsje of telefoontje zou komen met het bericht dat de vogel er nog zat. De volgende ochtend stonden Jonne en ik niet geheel onverwachts alleen op trektelpost De Hoekse Sluis. Er vloog nog niet erg veel, maar het was ook pas net licht aan het worden. Na ongeveer 20 minuten kwam al het verlossende belletje. Weer zag ik dat het Corné was die belde en even twijfelde ik of hij misschien alleen zou bellen om te vragen of de vogel nog was teruggevonden, maar toen ik opnam bleek hij weer op dezelfde plek te staan en de Woestijntapuit in beeld te hebben! Jonne begreep meteen wat er aan de hand was en ruimde haar telescoop op om vervolgens direct de auto in te springen. Via de snelste route die ik kon bedenken haastten we ons naar de plek des onheils en daar bleek al een rariteitencomité ter plaatse te zijn. De meeste gezichten waren bekend en hadden daarnaast ook een blije uitdrukking, een teken dat de vogel nog in beeld was. Enkele seconden nadat we de auto uitgestapt waren, kregen Jonne en ik de Woestijntapuit in de kijker en waren we een prachtsoort voor de Krimpenerwaard rijker.

Een batterij telescopen in de vroege ochtend, gericht op de soort van het jaar.

 De Woestijntapuit op 'zijn' schuurtje.

 Jonne betrapt tussen de twitchers! Ontdekker Corné staat links op de foto.

 Iedereen bleef netjes op afstand, de vogel liet zich immers toch wel prachtig bekijken.

De dichtstbijzijnde populaties van de Woestijntapuit leven in Noord-Afrika, maar daar zijn het standvogels. In centraal Azië leven trekkende populaties, met de dichtstbijzijnde broedgebieden in Kazakstan. Soms vliegen – vaak jonge – vogels in het najaar compleet de verkeerde richting in en komen zo in plaats van bijvoorbeeld Oost-Afrika in Nederland terecht, zoals deze Woestijntapuit, een ‘eerste winter’ mannetje. Mannetjes van de Woestijntapuit zijn te herkennen aan hun – niet erg verrassend – zandkleurige verenkleed met zeer contrasterende zwarte vleugels en een zwarte keel. Ook de staart is bijna helemaal zwart met daarboven een witte stuit. Jonge mannetjes zijn nog niet helemaal uitgekleurd, dus het zwart nog niet helemaal effen, maar de tekening is wel al duidelijk te zien. De vogel in kwestie bracht de meeste tijd door op een klein schuurtje of op een hek, en dook af en toe naar de grond om een insect of insectenlarve te pakken. Daarbij liet hij zich fantastisch bekijken en zeker later op de dag zijn er prachtige foto’s gemaakt (niet door mij dus). Het aantal mensen dat kwam kijken groeide in de loop van de ochtend gestaag, wat leidde tot een tafereel dat in de Krimpenerwaard vrij zeldzaam is. Meestal worden bijzondere soorten elders (langs de kust bijvoorbeeld) gezien, en niet midden in een laagveenpolder!

De Woestijntapuit, een eerste winter mannetje.

Allemaal blije gezichten!

Toen we de vogel voldoende bestudeerd hadden besloten we toch nog even terug te gaan naar de telpost in de hoop een paar Kraanvogels te zien om de dag helemaal volmaakt te maken. Dat lukte helaas niet en eigenlijk vloog er helemaal niet zoveel. Het hoogtepunt waren 3 Grote Lijsters die luid roepend over de telpost vlogen. Kriskras door de Krimpenerwaard reden we rond het middaguur weer naar huis om wat in de tuin te gaan werken met de beelden van een geweldig mooie nieuwe soort voor de Krimpenerwaard nog in mijn gedachten. Aan Corné komt alle eer toe voor de ontdekking van het vogeltje en het snelle wereldkundig maken van de waarneming. Ongetwijfeld wordt dit dé soort van 2011 in de Krimpenerwaard!

Thursday, November 3, 2011

De Schorren van Schier

Na op zaterdag met z’n tweeën de westelijke helft van het eiland verkend te hebben, zouden we op zondag met Matthijs en Fransje, een bevriend stel dat dit weekend ook op Schiermonnikoog verbleef, de oostelijke helft verkennen. Net als Terschelling is de westelijk helft deels ingepolderd, deels bebost en bewoond. De oostelijk helft daarentegen is één grote kwelder, aan de noordkant begrensd door een duinenrij. Twee wandelpaden lopen er richting de oostpunt van Schiermonnikoog: één dwars door de kwelder heen en één langs de duinenrij. Wij kozen voor wat wij de mooiste achtten, dus het pad dwars door de kwelder. Matthijs en Fransje waren hier wel eens eerder geweest en verbaasden zich over hoe nat het nu was. Want nat was het. Het veel bewandelde pad was het laagste punt in het landschap en strekte zich nu als een soort kanaal voor ons uit. Toch besloten we het te proberen om met droge voeten in de buurt van de oostpunt van het eiland te komen. Het was bijzonder toepasselijk dat op vele plekken Waterpiepers opvlogen en ook Watersnippen waren alom vertegenwoordigd. Het duurde niet erg lang voordat het pad zelf echt niet meer begaanbaar was en op meerdere plekken had zich rondom het pad een plas had gevormd van enkele tientallen centimeters diep. Pogingen om daar omheen te lopen leverde regelmatig hilarische taferelen op en ik was met mijn oude wandelschoenen de eerste die kletsnatte voeten had. Matthijs zijn rechtervoet was kort daarna ook aan de beurt en bij de laatste, meest verraderlijke plas die we wilden omzeilen stroomde het water ook de schoenen van Fransje in. Jonne kwam uiteindelijk met een extra portie voorzichtigheid als enige met droge voeten de kwelder af, maar ondertussen hadden we wel een bijzonder leuke, gezellige wandeling achter de rug.


Aan vogels was het ondanks het gebrek aan bosjes of losse struiken ook geen gebrek. Al direct toen we de kwelder opliepen zag ik in de verte een roofvogel bidden die mij sterk deed denken aan een Ruigpootbuizerd, hoewel Matthijs zich niet zomaar liet overtuigen. Dat zou later nog komen, toen we in de duinen zaten te lunchen en we letterlijk tegelijkertijd maar liefst 4 Ruigpootbuizerden in beeld hadden. In een rijtje hingen ze te bidden op de door de duinenrij opgestuwde zuidenwind. Wat een prachtige vogels zijn het toch, en er is duidelijk een invasie aan de gang die Matthijs en ik in onze vogelcarrière nog niet eerder hebben meegemaakt. Een ander ornithologisch hoogtepuntje werd door Jonne ‘opgetrapt’. Net toen ik aan het klagen was dat er geen Bokjes tussen de Watersnippen zaten, stapte zij bijna op een exemplaar dat zoals het de soort betaamt geruisloos opvloog, zonder zigzaggende vlucht. Toen de vogel bijdraaide was ook de relatief korte snavel mooi te zien en vlak voor de landing, die bij Bokjes steevast na enkele tientallen meters volgt, waren de ‘tramsporen’ – twee gelige lengtestrepen over de rug – mooi te zien. Onder de lage kweldervegetatie is behalve water ongetwijfeld ook een grote hoeveelheid zaden te vinden en een IJsgors wist daar wel raad mee. Op zo’n 10 meter van ons vandaan schuifelde er een als een muisje over de grond. Een mazzeltje dat hij zich zo goed liet bekijken, want voor Jonne was het een nieuwe soort. Toen de vogel in de gaten kreeg dat hij werd bekeken, vloog hij op waarbij hij ook nog eens zijn kenmerkende roepje liet horen.


Nog voordat we de natte voeten zat waren, liepen we op de kwelder tegen een brede slenk aan die vol stond met water en waar we met geen mogelijkheid overheen konden. We hadden dus geen andere keuze dan richting de duinen te lopen die langs het brede Noordzeestrand liggen. Op het strand vermaakten we ons met de enorme aantallen schelpen en ondertussen probeerden we ondanks de zuidenwind nog wat zeevogels te vinden. Al direct toen we het strand op kwamen lopen was het raak. Een juveniele Grote Jager vloog langs over de waterlijn, en passant wat meeuwen en sterns pestend. Daarna moesten we het doen met verre Eiders en Zwarte Zee-eenden, en nu en dan een langsvliegende Roodkeelduiker. Fransje wilde graag een Jan-van-gent zien, maar daarvan was geen spoor te bekennen tot van het ene op het andere moment ineens meerdere Jan-van-genten aan kwamen vliegen, ook foeragerend en soms relatief dicht langs het strand. Natuurlijk was dat voor ons allemaal een bijzonder gezicht, landrotten als wij zijn.


De tocht over het strand terug richting het westen was gemakkelijker dan de heenweg door de kwelder. Enkele groepjes meeuwen werden nog gecheckt op ringen, maar dat leverde niets op. Toen we de duinen weer overstaken, waren we op de plek waar Jonne en ik gisteren de twee Bladkoningen hadden die Matthijs en Fransje helaas gemist hadden. Nu hielden de vogels echter hun snavel of waren ze verdwenen. Behoorlijk uitgeblust na een heerlijke dag buiten hadden we even wat tijd nodig om bij te komen, waarbij Jonne opmerkte dat mijn brillenpoten weer als witte lijnen op mijn gezicht stonden. ’s Avonds hebben we met z’n vieren nog gezellig een wijntje gedronken en niet al te laat vond iedereen dat het tijd was om te gaan slapen. De laatste nacht op Schiermonnikoog was stil. De meeste toeristen waren al vertrokken en alleen de wind maakte geluid. De volgende ochtend liepen Jonne en ik nog een rondje over de westkant van het eiland, daarbij de vogelscore van het weekend over de 100 heen tillend. Na de lunch worstelden we ons met z’n vieren tegen de harde zuidenwind in de laatste paar kilometers over het eiland richting de boot. Met een licht weemoedig gevoel, maar met leuke herinneringen aan een heerlijk weekend, voeren we terug naar het vasteland. Het dagelijks leven lag daar alweer op ons te wachten.

Friday, October 28, 2011

Bladkoningen tijdens weekendje Schier

De weersvoorspelling was veelbelovend, we hadden tijd en zin, we wilden er graag nog even samen opuit, Matthijs en Fransje gingen ook, er was nog een goedkoop last-minute appartementje beschikbaar en de jaarlijst van Jonne kon nog wel een boost gebruiken. Al met al genoeg redenen om een weekendje naar de Wadden te gaan. Onze keuze was gevallen op Schiermonnikoog. Het enige voor toeristen toegankelijke Waddeneiland waar ik nog nooit geweest was, goed behapbaar in een weekend en, last but not least, Matthijs en Fransje wilden daar ook heen. Donderdagochtend hadden we geboekt en vrijdagmiddag stonden we op de boot van 17.30 uur.

Ondanks de frisse wind en eigenlijk ook tegen Jonne d’r zin gingen we boven op het dek staan om in het laatste licht van de dag nog wat vogels te kunnen zien. Dat leverde in de haven van Lauwersoog al de eerste nieuwe jaarsoort voor Jonne op, een Drieteenmeeuw. Tijdens de vaart van slechts 45 minuten naar het eiland, dat je vanaf het vasteland al goed kunt zien liggen, zagen we ook de eerste jager van het weekend. Een jonge Kleine Jager zwom enkele tientallen meters naast de boot en liet zich kort maar uitgebreid bestuderen. Fransje wilde graag zeehonden zien, maar door de hoge waterstand gaven we haar weinig kans tot we vlakbij Schiermonnikoog de kop van een Gewone Zeehond boven water zagen steken. Het weekend begon goed, zeker als je de lat voor jezelf niet al te hoog legt en vooral voor de gezelligheid gaat. Dat lukt mij niet altijd even goed, maar deze keer gelukkig wel!

Zaterdagochtend stond er geen wekker en met Matthijs en Fransje hadden we ook niets afgesproken. Toch liepen we toevallig vrijwel gelijktijdig weg bij de kampeerboerderij om bij het dorp ontbijt en ander proviand in te slaan. Een mooi moment om de planning door te nemen en we besloten vandaag afzonderlijk het westen van het eiland te verkennen en morgen gezamenlijk de kwelder in het oosten op te gaan. Jonne en ik begonnen in de bossen aan de noordwest kant van het eiland, waar zelfs Jonne de smaak te pakken kreeg en alert was op roepjes en gepriegel van kleine vogels in de bosjes. Dat leverde al gauw een groepje Baardmannetjes op die luid ‘ping’-end een rondje vlogen. Ook vonden we een hele late Fitis, die nu allang in Afrika had moeten zitten. De reden voor zijn vertraging was duidelijk: hij zat niet erg lekker in zijn veren. Een misvormde snavel was het probleem, waardoor hij waarschijnlijk niet voldoende voedsel kon binnenkrijgen om snel genoeg op te vetten voor de trek. De vogel zal de winter niet overleven. Natuurlijke selectie in actie.

Oktober is de maand van de zeldzame loofzangertjes, vooral op de Waddeneilanden. De Bladkoning is er daar één van. Hoewel ik dit jaar al genoeg geluk heb gehad met deze soort op Westenschouwen, had Jonne de soort nog nooit gezien. Dit weekend had ze een goede kans om hem bij te kunnen schrijven. Ze kende het geluid van de Bladkoning, dat ik al meer dan genoeg had laten horen, en wist dus waar ze op moest letten. We moesten er alleen nog een vinden. In de bosjes langs de Prins Bernhardweg, één van de geasfalteerde paden naar het Noordzeestrand, hoorde ik een Tjiftjaf voorzichtig zingen. Een algemeen familielid van de Bladkoning, waarmee deze graag samen optrekt. We stopten bij de Tjiftjaf en luisterden ingespannen om andere roepjes te horen. Enkele seconden later klonk vlak naast ons plotseling een scherp en hoog ‘tsuWIE’. Terwijl Jonne met grote ogen van verbazing haar mond opende om iets te zeggen, had ik het er al uitgefloept: een Bladkoning! Een aantal keer riep hij opvallend hard voor zo’n ontzettend klein priegelvogeltje (hij is maar een fractie groter dan een Goudhaantje) en even later vloog hij het pad over. Snel kregen we hem open en bloot in beeld op een takje en terwijl Jonne naar haar eerste Bladkoning keek, hoorden we ineens hetzelfde roepje achter ons. Een tweede Bladkoning! Jonne was bijzonder opgetogen en ik natuurlijk niet minder. En dan te bedenken dat de dag nog maar net was begonnen!

In de middag volgden diverse leuke waarnemingen elkaar op. Op het Noordzeestrand kwamen we een prachtige groep van zo’n 30 Strandleeuweriken tegen die zich op korte afstand mooi lieten bekijken. Deze soort had Jonne pas een week daarvoor voor het eerst gezien op de Brouwersdam. De roofvogels deden het ook leuk met veel Sperwers, enkele Haviken, Blauwe Kiekendieven en met als hoogtepunt niet minder dan 3 Ruigpootbuizerden. Het is duidelijk dat er dit jaar veel meer van de laatstgenoemde in Nederland terecht zijn gekomen dan normaal. Zouden de geruchten dat het een extreem koude winter wordt dan toch waar zijn…?

Hoe dan ook, met Bladkoning ‘in de pocket’ was voor de rest van het weekend de druk van de ketel. ’s Avonds hebben we lekker gegeten in het dorp en waren we veel te moe om het laat te maken. Heerlijk, zo’n weekendje weg.

Thursday, October 13, 2011

Toptelling en Big Sit!

Iedereen die ik erover vertel is het met me eens dat de Big Sit! alleen maar verzonnen kan zijn door Amerikanen. Dat ik er graag aan mee doe, wordt vaak wat minder begrepen. De Big Sit! (mét uitroepteken) is een vogelwedstrijd waar verspreid over de Verenigde Staten vele teams aan mee doen en die langzaam maar zeker uitwaaiert over de rest van de wereld. Het principe is simpel: op een bepaalde dag (dit jaar zondag 2 oktober) moeten de deelnemende teams proberen vanuit een cirkel met een diameter van 17 voet zoveel mogelijk verschillende soorten vogels waar te nemen. De gebruikelijke regels zijn van toepassing: dode vogels tellen niet mee, en “horen is scoren”. De kans om deze wedstrijd te winnen in de Krimpenerwaard is nihil, maar het geeft een goed excuus om een poosje buiten te staan. Zoals enkele jaren geleden deden wij met de Natuur- en Vogelwerkgroep de Krimpenerwaard (NVWK) mee op trektelpost De Hoekse Sluis bij Bergambacht. Begin oktober is een geweldige tijd om trekvogels te tellen en onze verwachtingen waren hooggespannen. Rob haalde Cor op uit Haastrecht en daarna mij uit Vlist, en gedrieën kwamen we om iets voor 8 uur aan op de telpost. Het was net licht en er waren nog weinig vogels zichtbaar in de lucht, dus gelukkig hadden we voldoende tijd om een batterij telescopen op te zetten en te genieten van de roze gekleurde oostelijke horizon. Erg lang duurde deze rust echter niet.


Vogeltrek is in zekere mate goed te voorspellen. Weersomstandigheden, aanvoer vanuit Scandinavië (te zien op de website van de trektelpost op Falsterbo, het zuidelijkste puntje van Zweden) en kennis over welke aantallen vogels je kunt verwachten zijn basiselementen van de voorspelling. Een week geleden hadden we de eerste golf Vinken over ons heen gekregen, dus die ‘begonnen te vliegen’, maar gedurende de week was het relatief rustig met niet al te best weer. Daarnaast waren er nog weinig lijsterachtigen binnengekomen uit Scandinavië terwijl begin oktober daarvoor toch de tijd is en het niet lang meer kon duren. De binnenkomst van lijsterachtigen zoals Koperwieken kan massaal en spectaculair zijn. Met de wetenschap dat de weersomstandigheden op zondag 2 oktober prima waren voor (zichtbare) vogeltrek en er veel vogels ‘onderweg’ waren, stonden wij gespannen de in de lucht te turen. Na een uurtje barstte het geweld los.

De tikkentellertjes werden verdeeld: Cor zou de Graspiepers doen, Rob de Vinken en ik de Koperwieken. Dat resulteerde bij één van ons in een pijnlijke duim. Wat begon met bescheiden groepjes van 10 tot 20 groeide uit tot prachtig uitgezwermde groepen van soms meer dan 100 Vinken. Hoe wanhopiger Rob werd, hoe meer Cor en ik er plezier in kregen om alsmaar langsvliegende groepen Vinken door te geven. Ondertussen vlogen ook andere soorten heel aardig. Cor kon zijn lol op met kleine groepjes Graspiepers en ik werd soms verrast door mooie bolvormige wolkjes Koperwieken. Behalve veel pap zagen we ook krenten. De Grote Lijsters vlogen best aardig, wat resulteerde in een dagrecord van die soort. Twee hoog overvliegende plevieren bleken zwarte oksels te hebben: Zilverplevieren, een zeldzame verschijning op De Hoekse Sluis. Een Beflijster vloog mee met twee Zanglijsters, een Bonte Strandloper met een Watersnip. Tussen de Graspiepers hoorden we een aantal keer de rauwe roep van een Waterpieper en in een groep Vinken vloog een Smelleken mee. De echte klapper kwam echter al vroeg in de ochtend. Tussen de kleine zangvogeltjes zag ik boven de dijk, vlak voor de telpost, plotseling een dikkere vogel aan komen vliegen met een opvallend lange staart. Alle alarmbellen gingen direct rinkelen en ik riep gauw ‘klauwier!!’. Rob en Cor hadden de vogel snel te pakken en alledrie waren we er heel snel uit: een prachtige brede witte baan over beide vleugels, de markante koptekening en forse formaat duidden op een onmiskenbare Klapekster. Een nieuwe telpostsoort, voor Rob een nieuwe soort voor de Krimpenerwaard en voor mij pas mijn tweede ooit in de waard. Het kan bijna geen toeval zijn dat op De Horde, een telpost op de Lekdijk ongeveer 20 kilometer stroomopwaarts, kort voor onze waarneming ook een Klapekster was gezien.

Alsof dat nog niet genoeg was bleef het aantal soorten maar groeien, wat in het kader van de Big Sit! natuurlijk goed uitkwam. Op een strekdammetje voor de telpost ging kort een meeuw zitten die werd herkend als een derde kalenderjaar Pontische Meeuw, mogelijk een vogel die ik samen met Jonne enkele weken terug ook langs de Lek had gezien. De vogel vloog op en verdween in zuidwestelijke richting, dus mocht worden bijgeschreven op de tellijst. Halverwege de telling kwam er versterking in de persoon van Mieke Verwaal die goed binnenkwam met de opmerking dat er een ‘roofvogeltje’ aankwam. Toen ik met de verrekijker keek in de richting die Mieke aanwees, zag ik boven de Lek een Visarend flappen. Er werd hartelijk gelachen om de aanduiding ‘roofvogeltje’ voor zo’n grote majestueuze vogel. Tot onze blijdschap kwam de vogel, die duidelijk niet van plan was om snel door te trekken, vlak voor de telpost bidden en hij dook zelfs twee keer vergeefs in het water.

Aan het einde van de ochtend werd het steeds rustiger hoewel kleinere groepjes Vinken en Graspiepers bleven doorvliegen. Bovendien lag het regenfront inmiddels recht boven ons wat het zowel voor ons als voor de vogels minder aangenaam maakte. Aan het begin van de middag hielden we het dus voor gezien met een mooi aantal soorten en grote aantallen vogels. De dagrecords van Grote Lijster, Kneu en Vink werden verbroken; van de laatste telden we maar liefst 8512 exemplaren. Het totaal aantal soorten bleef steken op een respectabele 79, de hoogste score voor Nederland. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat wij ook het enige Nederlandse team waren dit jaar. De winnaar van de Big Sit! dit jaar is een team uit New Jersey, Verenigde Staten, met 117 soorten. Na deze goede trekdag verslechterde het weer waardoor de toevoer uit Noord- en Oost-Europa gestremd wordt. Komend weekend draait de wind weer naar het zuidoosten, daalt de temperatuur en wordt het droog. Perfecte condities voor wederom een vogelrijk weekend! Ik wacht gespannen af…

Meer informatie over de Big Sit! kun je vinden op www.birdwatchersdigest.com/bigsit

Monday, July 18, 2011

De CES en Pont van Gouderak

Lange dagen op het werk, regen in het weekend, en dat allemaal in de komkommertijd. Wat komt er dan nog terecht van vogels kijken of buiten zijn in het algemeen? “Nog wat gedaan in het weekend” is de standaardvraag die je stelt aan collega-vogelaars. “Nee, het was helemaal geen weer joh” lijkt de laatste tijd steevast het antwoord. Is dat realiteit, passiviteit of pessimisme, of misschien een beetje van allemaal?

Na een week lang binnen zitten begint de zuurstofspiegel in mijn bloed dusdanig laag te worden, mijn ogen dusdanig gevoelig voor fel (buiten)licht en mijn longen dusdanig vol stof te raken, dat ik – weer of geen weer – simpelweg naar buiten moet. Gelukkig had ik net als de afgelopen weken een goed excuus om dat te doen, want ik mocht weer vogeltjes gaan ringen in de Stolwijkse Boezem. Tot mijn stijgende verbazing blijft Jonne op vrijdagavond na enig gewik en geweeg toezeggen dat ze mee gaat, ondanks dat ze daarvoor om 4 uur in de ochtend moet opstaan. Zodoende liepen we erg vroeg op zaterdagochtend weer met vier man/vrouw door het zompige veenmoeras te stampen, zwetend in regenbroeken om vooral niet nat te worden van de natte vegetatie. De netten stonden binnen no time op hun plek en bij de eerste ronde konden we vooral Winterkoningen ‘plukken’ (uit het net, voor alle duidelijkheid). We waren echter nog niet toe aan de tweede ronde toen het begon te miezeren en we vreesden een herhaling van vorige week, toen we de netten moesten sluiten voor stevige regen. Gelukkig was dit niet de neerslag waar wij of de vogels erg nat van werden, en erger werd het gedurende de ochtend ook niet. Buiten de nattigheid is zulk grauwe weer overigens prima vangweer. De mistnetten zijn bij bewolkt weer met weinig wind het moeilijkst zichtbaar en dat merk je ook aan de vangstaantallen. Hoewel we conform de CES-regels de vangstresultaten niet mogen beïnvloeden (vaste opstelling van netten zonder geluid of andere lokmethoden) hadden we vandaag als doel om het seizoensrecord van vorige week, namelijk 64 vogels, te verbeteren. Cor deed er nog een schepje bovenop door te melden dat ons all-time record op 69 vogels stond, een score die we op een goede dag toch moesten kunnen verbreken. Zaterdagochtend bleek zo’n goede dag. We vingen veel jonge vogels, vooral Tjiftjaffen en Fitissen, en ook weer een aantal Putters. Het aantal gevangen vogels werd na elke ronde langs de netten opgeteld door onze administratie (Jonne) en bij het laatste rondje wisten we dat het niet meer stuk kon. We eindigden op 83 vogels, een stevige verbetering van het oude record en eentje die moeilijk te verbreken zal zijn. De kwaliteit was overigens iets minder spectaculair dan de kwantiteit, tussen de 14 soorten zat niets onverwachts en deze keer hadden we ook geen buitenlandse terugvangsten.

Toen we in het begin van de middag thuis kwamen stond de bank er weer erg aanlokkelijk bij en de stemmen van Maarten Ducrot en Herbert Dijkstra bleken ideaal om bij in slaap te vallen. Voor de zekerheid had ik maar een wekkertje gezet om voor de zwaarste buien, die de buienradar had voorspeld voor het einde van de middag, weer wakker te zijn zodat ik nog even snel een ‘meeuwenrondje’ kon doen. Die buien kwamen natuurlijk toch iets eerder dan gepland, maar in de auto zat ik prima droog en meeuwen hebben doorgaans niet zoveel last van vies weer (alsof ze enige keus hebben…). Rond Gouda zaten redelijk veel Kleine Mantelmeeuwen (zo’n 200 opgeteld op diverse plekken) maar helaas kon ik geen ringen of gekke soorten ontdekken. Tegen mijn originele plan in ben ik daarom toch maar wat verder langs de Hollandsche IJssel afgezakt richting Ouderkerk aan de IJssel. Niks geks te zien, tot ik op de terugweg een interessante meeuw zag staan net ten westen van Gouderak in een nieuw natuurgebiedje. Een grote meeuw met een ruipatroon dat kenmerkend is voor een derde kalenderjaar vogel (dus geboren in de zomer van 2009), een donkere iris en een vrij lange slanke snavel. Zou dat een…? Omdat ik deze vogels toch nog wat lastig te determineren vind in andere kleden dan volwassen, maakte ik een paar onscherpe determinatieplaatjes voordat de vogel weg vloog zodat ik eenmaal thuis onze eigen meeuwenexpert Johannes kon raadplegen. Hij kon gelukkig de determinatie bevestigen: de eerste Pontische Meeuw van het najaar (na de langste dag) is weer in de Krimpenerwaard aanwezig! Ongetwijfeld zullen er nog vele waarnemingen volgen in de loop van de zomer, hopelijk ook weer van enkele vogels met ringen. Al met al een behoorlijk geslaagd dagje in de regen. Naar buiten gaan met zulk wisselvallig weer is vaak het moeilijkst, maar als je eenmaal buiten bent valt het meestal mee!

Pontische Meeuw (Caspian Gull) langs de Hollandsche IJssel

Monday, July 11, 2011

CES-records en leuke meeuwen

Ondanks een zware week op het werk was het afgelopen zaterdag weer zover. Geen minuut later dan 04.00 uur ging de wekker, en dat terwijl we de avond daarvoor pas om half één thuis gekomen waren van een buurtavond. Eigen schuld? Ja, maar toch was het wel nuttig om ons (‘nieuwe’) gezicht daar even te laten zien. Of bedoel je dat vroege opstaan? Ja, ook eigen schuld, maar zelfs Jonne wilde weer graag mee CESsen dus hoeveel keus heb je dan nog?

Na het journaal van vrijdagavond werd voorspeld dat er ’s nachts een storing met regen over Nederland zou trekken, eerst over het westen van het land en daarna verder schuivend naar het oosten. In mijn optimistische naïviteit dacht ik nog dat dat zou betekenen dat het vast droog zou zijn als we om 05.00 uur op de CES-lokatie zouden aankomen. Dat bleek wel zo te zijn, maar ‘nacht’ is een rekbaar begrip en het ontbreken van regen betekende in dit geval dat de storing nog moest komen en zeker nog niet voorbij was. Het eerste uurtje konden we profiteren van de stilte voor de storm en het was zo broeierig dat we het om half 6 zelfs in ons T-shirt nog warm hadden. Toen het even later begon te waaien voorspelde dat niet veel goeds. Kort daarna begon de miezer, die uitgroeide tot enkele serieuze regenbuien. Dat zijn geen optimale omstandigheden voor het vangen van vogels, want een vogel die vast zit in een net, kan zijn verenkleed niet onderhouden in de regen en loopt daardoor vergrote kans om onderkoeld te raken. Om die reden gingen de netten een poosje dicht, zodat we geen onnodige slachtoffers zouden maken.

Alleen maar kommer en kwel dan? Nou, daar leek het in eerste instantie wel op. We bleken een verkeerde map meegenomen te hebben, waardoor we geen formulieren voor het invullen van de gegevens hadden. Daar hadden we gelukkig snel iets op verzonnen en met een wat verhoogde bloeddruk konden we vervolgens na de eerste ronde langs de netten veel vogels van een ringetje voorzien. Dat het toch niet alleen kommer en kwel was, bleek de rest van de ochtend, want het regende niet alleen waterdruppels, ook vogels. Ondanks dat we een poosje de netten gedwongen dicht moesten houden, vingen we een recordaantal vogels voor de CES 2011. De soort die eruit sprong, was de Putter. Deze vangen we bijna nooit in de boezem, maar toevallig hebben we bij één van de netten dit jaar veel bloeiende Kale Jonker staan, een soort distel met zaadjes waar Putters gek op zijn. Bijna elk rondje konden we daardoor wel een Putter uit het net plukken, wat uiteindelijk in totaal 7 exemplaren opleverde (4 jong, 3 oud). Daarmee waren alle jaarrecords in één regenachtige ochtend verpletterd. Natuurlijk waren wij daarover uitzinnig van vreugde. Wie het kleine niet eert…! Jonne was vooral blij met een jonge Grote Bonte Specht die we vingen, maar die ze (heel verstandig) niet hoefde vast te pakken. Fijne vogels zijn dat toch, alleen zou het prettig zijn als ze begrepen dat een hand niet van hout is. Mijn persoonlijke toppertje van de dag was weer een Belg, deze keer in de vorm van een Kleine Karekiet. Een flink gesleten ring, dus ik ben erg benieuwd wanneer deze wereldreiziger geringd is!

Zondagochtend ben ik in de rest van de Krimpenerwaard weer eens op zoek gegaan naar ringen om af te lezen. Veel meeuwen zijn weer klaar met broeden dus beginnen nu weer rond te zwerven en dat geldt in zekere mate ook voor veel andere vogels. Heerlijk, zo’n rondje door de polders met prachtig weer, dat had ik alweer veel te lang niet meer gedaan. In de polders rond Gouderak genoot ik vooral van de grote groepen Grauwe Ganzen (dat kan, als het gras dat ze eten niet van jou is), groepen Kieviten met behoorlijk veel jonge vogels daartussen, Bruine Kiekendieven en een overvliegende Grote Zilverreiger. Bij Schaapjeszijde besloot ik nog even naar de Hollandsche IJsseldijk te rijden om meeuwen te zoeken en besloot daarvoor een kijkje te nemen in het heringerichte gebiedje net ten oosten van Lageweg. Op dit vrijwel kale terreintje vond ik snel een aantal Kleine Plevieren en een mooi groepje Kneuen. Ook zat er een groepje meeuwen, bestaande uit verschillende soorten. De meeuw met een gitzwarte kop (Kokmeeuwen hebben eigenlijk een donkerbruine kop), dieprode snavel, onderbroken witte oogring en witte vleugels met enkel wat zwarte puntjes viel direct op: een mooie Zwartkopmeeuw. Die zien we in de Krimpenerwaard niet zo heel vaak aan de grond en dat is jammer want ze zijn vaak gekleurringd. Dit exemplaar was dat helaas niet, maar dat deed niets af aan het kijkplezier.

Al cruisend door de polder kwam ik langs het vrijwel droge helofytenfilter in polder Hoek, waar helaas geen Kleinste Strandloper aanwezig was (voor de mensen die niet dagelijks op www.dutchbirding.nl kijken: dat is een soort die afgelopen weekend bij Westkapelle voor het eerst in Nederland gezien werd). Wel vlogen er enkele Zwarte Sterns en klonk de luide zang van een Spotvogel. Op een weiland met wat koeien liep verderop een groepje van 17 Kemphanen die voor het merendeel nog in prachtig broedkleed waren. Daar heb ik op mijn gemakje eens van staan genieten. De bochtafsnijding langs de Lekdijk tussen Lekkerkerk en Bergambacht stond als volgende bestemming op het denkbeeldige lijstje en ondanks dat het hoog water was, zaten er enkele meeuwen op een kribbetje. De eerste van het rijtje bleek een volwassen Geelpootmeeuw te zijn. Deze soort heeft net zulke knalgele poten als alle meeuwen op dat dammetje, Kleine Mantelmeeuwen, maar heeft een lichtgrijze rug (mantel) in plaats van een zwarte. Een schaarse bezoeker in de Krimpenerwaard en dan ook nog eens in volwassen kleed, dan zijn ze het mooist! Ook deze vogel was ongeringd, wat jammer is omdat je zeker van zulke soorten graag wilt weten waar ze vandaan komen. Eerdere ringaflezingen van Geelpootmeeuwen in de Krimpenerwaard wezen op een zuidelijke herkomst, namelijk Zwitserland en Italië.

Zo werd zondag vooral een leuk meeuwendagje ondanks dat het geen ringaflezingen opleverde. Hopelijk brengt de zomer (Jonne is het er pertinent niet mee eens als ik nu al zeg ‘najaar’) nog veel van dat soort leuke dingen. De rest van de middag heb ik maar lui op de bank doorgebracht, met kromme tenen kijkend naar de rampzalig verlopen etappe van de Tour de France. Tijd dat ze wat zuidelijker komen, dan krijgen we vast weer mooie shots van Zwarte Wouwen en Vale Gieren!